Verzameldrift

Verzamelen leidt vaak tot een omvangrijke, bijzondere collectie. Er zijn ook mensen die doorslaan, die niets kunnen weggooien, die uiteindelijk in een dichtgeslibd huis wonen, soms zo volgestouwd dat het er niet meer veilig is.

Vroeger was ‘collectioneren’ ofwel verzamelen vooral iets voor de elite. In de zestiende eeuw werden de zogeheten Wunderkammern in het leven geroepen waarin koningen en keizers hun dure en waardevolle objecten konden tentoonstellen. Door de komst van musea en bibliotheken kwamen ‘gewone mensen’ in contact met verzamelingen en gingen ook zij spullen vergaren. De echte collectioneur weet: een verzameling kost veel tijd en geld. De kick zit ‘m in het vinden van een bijzonder object dat de collectie kan vergroten of completeren.

Wanneer wordt verzamelen zorgwekkend?

Soms groeit een leuke verzamelhobby uit tot een obsessie. Wanneer iemand niet meer kan stoppen en vooral niets kan weggooien, wordt verzamelen een probleem. De verzamelaar raakt letterlijk bedolven onder zijn of haar spullen, kan nauwelijks nog normaal door het huis bewegen en gaat er uiteindelijk zelf aan onderdoor. In dat geval ben je een pathologisch verzamelaar. Ofwel een hoarder – de Engelse term voor hamsteraar. Iemand die letterlijk en figuurlijk vergroeit met zijn eigen troep. En die daar geen afstand meer van kan doen zonder dat het grote angst oproept. Naar schatting lijdt 1,5 procent van de Nederlandse bevolking in mindere of meerdere mate aan een ernstige verzameldrang. Het grote verschil tussen normaal verzamelen en hoarden is, dat ‘de normale verzamelaar’ zijn objecten sorteert, organiseert en eventueel tentoonstelt. Als je een serieuze verzamelaar vraagt naar een specifiek object, dan weet hij onmiddellijk waar het staat en haalt hij het subiet tevoorschijn. Ook beleeft hij of zij daadwerkelijk veel plezier aan zijn hobby. Hoarders hebben geen overzicht en leven vaak in een sociaal isolement. Vaak is er niemand die hen ermee confronteert, dus blijven ze maar verzamelen. Soms wordt het zo erg, dat ze zelf hun huis nauwelijks meer in of uit kunnen. Henk Plenter, gepensioneerd GGD-medewerker, was ruim veertig jaar betrokken bij ontruimingen van hoarders. Hij schreef er een boek over: Let niet op de rommel, verhalen over eenzaamheid en vervuiling in de grote stad. Er is zelfs een werkwoord naar Henk Plenter vernoemd: plenteren. Dat betekent een huis ontruimen, omdat er zo veel spullen liggen opgeslagen dat het wonen erin een gevaar oplevert voor de volksgezondheid.

Wat typeert een hoarder?

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de extreme verzamelaars aangeeft dat zijn of haar ouder(s) ook graag verzamelt. Genetische factoren kunnen dus een rol spelen. Daarnaast zijn ze vaak besluiteloos. Ook spelen belangrijke en onverwerkte traumatische gebeurtenissen vaak een grote rol. Ze kunnen extreem bang zijn voor het loslaten van het verleden en houden daaraan vast middels hun verzameling. Ze kennen sentimentele waarde toe aan objecten en houden niet verandering. Simpel gesteld bieden al die spullen een gevoel van veiligheid. Omgeven door al hun items voelen hoarders geborgenheid. Wat er ook gebeurt, je hebt altijd je ‘collecties’ nog. Zo’n verzameldrang kan behandeld worden met (cognitieve) gedragstherapie, waarbij de extreme verzamelaar leert om te ontspullen en de neiging om nieuwe voorwerpen aan te schaffen te beheersen.

Lees ook deze bijlage

Dit is een EXTRA artikel

Dit is een EXTRA artikel en alleen te bekijken voor abonnees. Maak nu een account aan en kies het abonnement dat het best bij je past om direct onbeperkt toegang te krijgen tot alle artikelen.

Maak een account aan